Deel 20. Watersley, van leengoed tot zorginstelling, 2010 [214 p.]
D.J.J. Lauwers
Het boek geeft een overzicht van de geschiedenis van Watersley: de hoeve Watersleyerhof plus aan het daartegenover gelegen vroegere kloostercomplex, dat ooit in 1752 begon als jachtslot van de familie Loijens. Het boek is rijk geïllustreerd.
De oudste gegevens dateren uit de vijftiende eeuw en handelen over het toenmalige grootste groot leen (ook wel ridderleen genoemd) afhankelijk van het kasteel van Born en toen al Watersley geheten. Ongetwijfeld is dit leen veel ouder, immers de meeste leengoederen werden in leen gegeven in de hoge Middeleeuwen. Het leengoed was in de zestiende en zeventiende eeuw in handen van de Hasseltse familie van Hilst (maar de hoeve was steeds verpacht en ook de pachters worden besproken voor zover bekend). Rond 1750 werd Arnoldus Godefridus Loijens, schepen van Maastricht, gehuwd met Maria Catharina Delhougne, leendrager/eigenaar van het leen, en hij bouwde op de helling tegenover de hoeve een kasteel/jachtslot/zomerhuis/statussymbool met een prachtige voorgevel, voorzien van een fraaie gevelsteen met wapenschilden Loijens en Delhougne en noemde zich voortaan ‘Heer van Watersley’.
In de Franse tijd werd leengoed normaal eigendom, en vanaf dan wisselden zowel hoeve als kasteel een aantal malen van eigenaar, die allen behandeld worden in het boek. Zo komen we de families Roosen, Strengnart, Delahaye, Houben en Pijls tegen. De hoeve bleef steeds verpacht tot de familie Pijls deze in 1972 verkocht aan de toenmalige pachter Bosch.
Het kasteel werd nooit permanent bewoond, maar onregelmatig verhuurd. Vanaf 1875 woonden er (naar aanleiding van de Kulturkampf in Duitsland) Duitse Franciscanen uit Saksen (die uiteindelijk in Vlodrop terecht kwamen), dan vanaf 1883 de Priesters van het Heilig Hart (die later naar Leijenbroek gingen), en uiteindelijk vanaf 1895 weer Duitse Franciscanen uit Thüringen. Zij kochten het kasteeltje van de familie Pijls en bouwden het om en uit tot het enorme complex dat er nu nog staat. Daarbij was de eerste en belangrijkste bouwperiode tussen 1896 en 1905. In het complex begonnen de paters een geheel Duitstalig gymnasium annex klein seminarie met internaat waarvoor leerlingen kwamen uit heel Duitsland. Zij bleven tot 1967, met een onderbreking na de Tweede Wereldoorlog toen een aantal jaren de Franciscanen uit Katwijk (hun gebouw was verwoest in de oorlog) hier hun internaat hadden.
In 1967 verkochten de paters het complex aan de Paulusstichting, die het ombouwde voor de verzorgeing van mensen met een geestelijke beperking. Vanaf 1975 verdwenen de bewoners langzaam maar zeker uit het hoofdgebouw naar nieuwe paviljoens erachter, en nog weer later naar begeleide woonvormen elders in de stad en heel Zuid-Limburg.
Het boek bevat hoofdstukken over het leengoed, de Franse Tijd, de eigenaars, de pachters, de paters, de Paulusstichting en een apart hoofdstuk over het hoofdgebouw (over alle verbouwingen en over hoe het in de loop der jaren werd gebruikt).
Het is zeer rijk geïllustreerd met vele nooit eerder gepubliceerde foto’s en voorzien van een namenindex.
ISBN 978-90-72115-20-1 Uitverkocht, bestel PDF